x x−μ (x−μ) 2
3 -1 1
3 -1 1
4 0 0
4 0 0
4 0 0
4 0 0
4 0 0
4 0 0
5 1 1
5 1 1
∑x 40 0 4

N=10
μ=4 .

We gaan nu de variantie van de scores in de populatie berekenen. Dit doen we met de formule ∑(x−μ) 2 N. In de tabel zie je de gedeeltelijke uitwerking van deze formule. In de tweede kolom is van elke score het verschil met het gemiddelde berekend. Voor de tweede score geeft dit bijvoorbeeld x 2 −μ=3 −4 =−1 . In de derde kolom zijn de verschilscores uit de tweede kolom gekwadrateerd. Voor de tweede score geeft dit (x 2 −μ) 2 =(3 −4 ) 2 =(−1 ) 2 =1 .