Situatie 1:
Situatie 2:
Een belangrijk punt is dat er een relatie bestaat tussen de steekproefgrootte en de overschrijdingskans. Deze relatie houdt in dat de overschrijdingskans kleiner wordt naarmate groter wordt.
Hier staan 2 situaties beschreven. Een bepaalde hypothese wordt getoetst bij zowel een steekproefomvang van als , terwijl . In beide gevallen wijken de steekproefresultaten evenveel af van hetgeen onder de nulhypothese is gesteld, namelijk 10%.
Voor welke steekproefgrootte is de kans dan groter dat je de nulhypothese verwerpt?
(Bepaal om deze vraag te kunnen beantwoorden de overschrijdingskans voor beide situaties.)



