1. Interval voor X¯ (vóór het trekken):
    μ±z×σn
  2. Interval voor μ bij σ bekend:
    X¯±z×σn
  3. Interval voor μ bij σ onbekend:
    X¯±t×Sn
    met S=∑(X i−X¯) 2 n−1
  4. Interval voor μ X−μ Y bij σ bekend:
    X¯−Y¯±z×σ X¯−Y¯
    met σ X¯−Y¯=σ X 2 n+σ Y 2 m
  5. Interval voor μ X−μ Y bij σ onbekend:
    X¯−Y¯±t×S g×1 n+1 m
    met S g=(n−1 )×S X 2 +(m−1 )×S Y 2 n+m−2
  6. Interval voor p:
    Bn±z×(B/n)(1 −B/n)n

In het zesde en laatste geval bereken je op grond van een steekproefproportie Bn een betrouwbaarheidsinterval voor de proportie in de populatie p.

In dit geval kunnen we z weer gebruiken.