1. Interval voor X¯ (vóór het trekken):
    μ±z×σn
  2. Interval voor μ bij σ bekend:
    X¯±z×σn
  3. Interval voor μ bij σ onbekend:
    X¯±t×Sn
    met S=∑(X i−X¯) 2 n−1
  4. Interval voor μ X−μ Y bij σ bekend:
    X¯−Y¯±z×σ X¯−Y¯
    met σ X¯−Y¯=σ X 2 n+σ Y 2 m

In het vierde geval bereken je voor het verschil tussen twee populatiegemiddelden μ X−μ Y een betrouwbaarheidsinterval rond X¯−Y¯. Als we σ X en σ Y, de standaardafwijkingen in de populaties kennen, kunnen we weer een z-waarde gebruiken. σ X¯−Y¯ is de standaardafwijking van het verschil tussen twee steekproefgemiddelden. Het wordt berekend als het gemiddelde van de standaardafwijkingen in de twee steekproeven. Verwart vooral σ X en σ Y niet met σ X¯−Y¯ (populaties vs. steekproeven).