De verwachtingswaarde van X is E(X)=3 . Als tweede beschrijvende maat voor de kansverdeling moet je nu de variantie van X berekenen.
Nee, ik denk dat u zich vergist in de volgorde van de bewerkingen. Je moet eerst van elke waarde van X (x i) de verwachtingswaarde 3 aftrekken, deze uitkomst moet gekwadrateerd worden, en daarna vermenigvuldigd met de kans op die waarde van X. In formule: σ 2 =∑[x i−E(X)] 2 ×P(X=x i).
Inderdaad. De variantie van X wordt berekend volgens σ 2 =∑[x i−E(X)] 2 ×P(X=x i) en in dit geval is dat 1.5. We hebben dus nu de kansverdeling beschreven volgens μ=3 en σ 2 =1.5 .
Nee, je hebt de variantie niet goed berekend. Je hebt de variantie waarschijnlijk berekend als ∑[x i−E(X)] 2 7 , maar je dient hier niet door het aantal ‘waarnemingen’ te delen. In plaats daarvan moet je de gekwadrateerde elementen vermenigvuldigen met de kans op die waarde van X. In formule: σ 2 =∑[x i−E(X)] 2 ×P(X=x i).
Nee, je hebt een fout gemaakt. Je moet inderdaad van elke waarde van X (x i) de verwachtingswaarde 3 aftrekken en deze uitkomst kwadrateren. Maar voordat je sommeert moet je deze waarden vermenigvuldigen met de kans op die waarde van X. In formule: σ 2 =∑[x i−E(X)] 2 ×P(X=x i).